"Jaarlijkse" indexering tarieven op de helling?

Wetsontwerp betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten ingediend in Kamer.

Op 14 december 2018 heeft de regering  het “wetsontwerp betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten” ingediend in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. De Commissie voor de Justitie had de tekst normaal gezien als eerste onder handen moeten nemen.

Ondanks het ontslag van de regering vinden wij het belangrijk dat de beëdigd vertalers en tolken kennis kunnen nemen van de plannen die de FOD Justitie heeft uitgewerkt. Hieronder vindt u het wetsontwerp betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten met bijlagen.

 

SAMENVATTING

Het voorliggende wetsontwerp beoogt de materie van de gerechtskosten in strafzaken volledig te hervormen, zonder evenwel te raken aan de gerechtskosten in burgerlijke zaken, handelszaken, sociale zaken en andere, voor zover die niet worden gelijkgesteld met die in strafzaken.

Het is wenselijk als nieuwe basistekst een autonome wet te verkiezen, die alle aspecten van de gerechtskosten in strafzaken regelt, die aan de wet zijn voorbehouden, zonder te raken aan wat is voorbehouden aan de uitvoerende macht.

Een kernpunt is het in overeenstemming brengen van de wetgeving met de sinds 2003 reeds geldende wet over de rijkscomptabiliteit. In essentie, om evidente redenen van fraudepreventie, voorziet deze in een duidelijke scheiding tussen de behoefte, de levering en de controle- en de betaalfunctie.

Het tweede kernpunt is efficiëntie. Door centralisatie wordt specialisatie en een betere taak- en rolverdeling georganiseerd. De oude beroepsprocedure wordt vervangen door een administratieve beroepsprocedure, die sneller dan de vorige Commissie gerechtskosten tot resultaten kan komen. Grotere klantvriendelijkheid komt er omdat elke prestatieverlener slechts 1 aanspreekpunt per arrondissement meer zal hebben (ipv in elke rechtbank).

Deze principes zijn uitgewerkt in een ontwerp met de volgende structuur:

Hoofdstuk 2 bestaat uit een belangrijk artikel met definities, en een artikel dat omschrijft wat er onder “gerechtskosten in strafzaken” wordt verstaan.

Hoofdstuk 3 beschrijft de organisatie van de nieuwe diensten die zich zullen bezighouden met de gerechtskosten in strafzaken: hun samenstelling, taken, werking en territoriale bevoegdheid.

Hoofdstuk 4 beschrijft de onderdelen van de concrete procedure die moet worden gevolgd bij het maken en betalen van gerechtskosten.

Het laatste hoofdstuk bestaat uit wijzigings- en opheffingsbepalingen om de bestaande regeling af te schaffen, de nodige overgangsbepalingen, en de bepaling die de inwerkingtreding regelt.

Waar dit mogelijk en nuttig is, wordt het verder preciseren van sommige bepalingen en het vastleggen van modelformulieren gedelegeerd aan de Koning.

 

MEMORIE VAN TOELICHTING

DAMES EN HEREN,

ALGEMENE TOELICHTING

De technisch complexe materie van de gerechtskosten in strafzaken werd pas in 1950 voor het eerst op een omvattende manier geregeld door middel van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, dat steunde op de wet van 16 juni 1919 waarbij aan de Regering machtiging wordt verleend om aan de bepalingen, betreffende de gerechtskosten in strafzaken, in burgerlijke zaken en in handelszaken, wijzigingen toe te brengen. Op haar beurt werd die wet pas in 2006 vervangen door de Programmawet (II) van 27 december 2006. Het KB had moeten worden vervangen door het KB van 27 april 2007, dat evenwel het jaar daarop werd vernietigd door de Raad van State bij arrest nr. 188 928 van 17 december 2008 omdat er geen advies was gevraagd over de tekst en de hoogdringendheid hiervoor onterecht was ingeroepen. Daarop kwam het oude KB terug in voege. De wet zelf, die luidens het advies van de Raad van State over een ontwerp van nieuw koninklijk besluit in 2008, nog steeds onvoldoende bepalingen bevat die de zaken die aan de wet zijn voorbehouden, duidelijk regelen, bleef gebrekkig.

Gelet op de interpretatieproblemen en met het oog op de volledige hervorming van het verouderde systeem van de gerechtskosten in strafzaken, beoogt het voorliggende wetsontwerp te voorzien in een deugdelijke wetgeving, die als basis kan dienen voor het nemen van uitvoeringsbesluiten, die de regeling verder uitwerken. Aldus kan worden gekomen tot een modernisering van de materie van de gerechtskosten, waarmee beantwoord wordt aan de nood tot professionalisering, rationalisering en informatisering. De wet moet voor de rechtszekerheid en gelijkheid zorgen bij de gerechtelijke overheden en bij de deskundigen.

Het voorliggende wetsontwerp beoogt een kaderwet tot stand te brengen, die bevoegdheden delegeert aan de Koning. Het kader voor de organisatie van de diensten bevoegd voor het beheer van de gerechtskosten, wordt vastgelegd in de wet. De respectievelijke bevoegdheden van deze diensten, de wijze waarop deze worden ingericht, evenals de uittekening van de procedure van toekenning, verificatie en betaling van de gerechtskosten, zal verder bepaald worden door de Koning.

De bestaande situatie, waarbij de gerechtskosten in eerste lijn worden behandeld door de griffies en de parketsecretariaten, schenkt geen afdoende garantie voor uniformiteit en niet-discriminatie binnen de werking (achterstand, gebrek aan personeel, geen uniforme toepassing van de regels, interpretatiekwesties…), en bovendien is de organisatie van de bevoegde diensten, als eenheden waar de te onderscheiden taken allemaal door één en dezelfde persoon kunnen worden uitgevoerd, niet in overeenstemming met de wetgeving op de rijkscomptabiliteit (wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat en haar uitvoeringsbesluiten).

Met de hervorming zal het onderscheid tussen de zgn. “dringende” kosten die worden uitbetaald door de griffies en parketsecretariaten, en de zgn. “nietdringende” kosten, die pas met veel vertraging worden uitbetaald door de centrale dienst gerechtskosten, verdwijnen. Het gaf aanleiding tot misverstanden bij zowel de betalers als de ontvangers en een dergelijk onderscheid is niet rechtvaardig, aangezien elke betaling binnen een redelijke termijn moet kunnen gebeuren.

De bestaande organisatie wordt verder geprofessionaliseerd door de oprichting van een tweeledige structuur die niet langer afhangt van een griffie of parketsecretariaat, maar waar alle personeelsleden van deze bestaande diensten van één gerechtelijk arrondissement bijeen worden gebracht samen met specifiek voor deze taak geselecteerde en bij de centrale dienst gerechtskosten bij de Federale overheidsdienst Justitie opgeleide specialisten in overheidsboekhouding. Die nieuwe entiteit zal met het oog op een gelijke, correcte en effectieve toepassing van de wet onder het toezicht staan en instructies ontvangen van de voornoemde centrale dienst gerechtskosten.

De instelling van deze nieuwe structuur zal zijn weerslag hebben op de behandeling van de kostenstaten van de prestatieverleners. Nadat de opdracht van de magistraat, politie of bevoegde inspectiedienst uitgevoerd werd en de kwaliteit gevalideerd werd door de vorderende overheid, zal de kostenstaat kunnen geregistreerd worden. Dan kan de kostenstaat door het nieuw ingerichte arrondissementeel bureau gerechtskosten behandeld worden.

Deze nieuwe op te richten dienst, bij de griffie van hoofdzetel van de rechtbank van eerste aanleg zal bestaan uit enerzijds een taxatiebureau en anderzijds een vereffeningsbureau. Het eerste behoort tot de Rechterlijke Orde, het tweede tot de administratie van Justitie.

De kostenstaten van de prestatieverleners worden door het taxatiebureau geverifieerd en definitief begroot. 

Elke fout wordt gemeld aan de indiener, met het oog op de correctie ervan of de vaststelling dat hij niet of slechts gedeeltelijk kan worden betaald.

Het vereffeningsbureau zal zich bezighouden met de verdere verwerking van de ingediende en begrote kostenstaten tot en met het voorleggen voor inbetalingstelling. Daarnaast houden ze zich bezig met de verificatie van de essentiële gegevens van de kostenstaten, de controle van de registratie en het verzorgen van de statistische gegevens.

De taxatiedienst wordt geleid door (minstens) een griffier (die ook effectief deze graad moet bekleden). De vereffeningsdienst wordt geleid door een financieel deskundige, aangeworven en opgeleid bij het centraal bureau gerechtskosten. De bureaus zijn formeel onafhankelijk van elkaar en werken samen op de wijze bepaald door de Koning. Het taxatiebureau geeft alleen de staten door voor betaling, waarvan ze hebben vastgesteld dat ze mogen worden betaald (dit wil zeggen: voldoen ze aan alle formele en materiële voorwaarden, zijn de bedragen juist berekend, is alles geregistreerd, zijn de nodige handtekeningen aangebracht, is het gevraagde werk afgeleverd en goedgekeurd, is het juiste tarief gebruikt, zijn alle rechtvaardigingsstukken meegeleverd, zijn de eventuele fouten rechtgezet en gaat de indiener akkoord met een eventueel voorstel tot aanpassing). Het vereffeningsbureau gaat na of alles in orde is om werkelijk te kunnen overgaan tot betaling (dit wil zeggen: kloppen alle leveranciersgegevens, is er geen gevaar voor dubbele betaling, is het juiste rekeningnummer opgegeven, kan alles op de juiste manier statistisch worden verwerkt, is de betrokken prestatieverlener in orde ten opzichte van het nationaal register, is er voldoende budget beschikbaar voor onmiddellijke inbetalingstelling of dient er te worden gewacht, en is het nodige gedaan opdat de archivering goed verloopt).

Op die manier voldoet het proces van afhandeling van de kostenstaten aan het principe van deugdelijk bestuur, en in het bijzonder aan het principe van functiescheiding.

Toch is het voorliggende ontwerp niet uitgebreider dan nodig en beperkt het zich tot wat bij wet moet worden geregeld en wordt de verdere uitvoering ervan aan de Koning opgedragen.

In een tijd waar de kostprijs voor een efficiënt werkend gerecht, en meer bepaald een performante waarheidsvinding blijvend zal stijgen door het beschikbaar worden van allerlei nieuwe wetenschappelijke en technologische middelen, en slechts wordt getemperd door de schaalvoordelen van de technieken die een steeds ruimere toepassing kennen en bijna vanzelfsprekend worden, is het een illusie te hopen dat er kan worden bespaard op deze uitgaven zonder de efficiëntie van het gerecht te ondermijnen. Daarom is het onontbeerlijk een wettelijk kader te creëren dat de aanwending van deze kosten genererende technieken onderwerpt aan duidelijke voorwaarden, zodat effectieve monitoring mogelijk is van het resultaat van de investeringen.

De financiële implicaties van het voorliggende ontwerp zijn niet verschillend van deze van de huidige regeling. Alle gemaakte kosten vallen binnen de bestaande budgetten van de Federale Overheidsdienst Justitie.

Van andere kosten kan er pas eventueel sprake zijn wanneer de wet wordt geconcretiseerd in uitvoeringsbesluiten. Er vallen wel substantieel hogere inkomsten te verwachten eens de terugvordering van voorgeschoten gerechtskosten van veroordeelde personen ook verder kan worden geprofessionaliseerd.

 

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2 bevat een aantal definities van termen die worden gebruikt in de wet en vervolgens ook in haar uitvoeringsbesluiten.

De punten 1° tot 5° bevatten definities van nieuwe termen die in de materie der gerechtskosten worden geïntroduceerd om meer duidelijkheid te scheppen in de aard van het werk dat wordt toevertrouwd aan de “helpers van het gerecht”, en het onderscheid dat daarbij relevant is tussen de prestatieverleners, die een standaarddienst of een repetitieve handeling verrichten in opdracht van het gerecht, en de intellectuele prestaties van de eigenlijke deskundigen die deel uitmaken van de rechtsgang.

Punt 2° van dit artikel laat toe dat deskundigen en vertalers/tolken ad hoc kunnen blijven gevorderd worden wanneer daar noodzaak toe bestaat, bijvoorbeeld als ze de enigen zijn die een zeldzame taal beheersen.

Punt 5° ten slotte is de definitie van het in dit kader belangrijkste document, de kostenstaat, die aangeeft uit welke elementen die moet bestaan en waarin hij verschilt van een gewone factuur.

Hier wordt bepaald dat de minister van Justitie (dit is met het oog op de noodzakelijke soepelheid wanneer plots blijkt dat er aanpassingen nodig zijn) het voorgeschreven model van de kostenstaat vaststelt.  

Artikel 3

Paragraaf 1  bevat de definitie van gerechtskosten in strafzaken, zoals ze al in de programmawet (II) van 27 december 2006 was opgenomen, doch aangevuld met enkele elementen die in de loop van de tijd ook als gerechtskosten zijn erkend door de rechtspraak of door de minister van Justitie in zijn beslissingen over de aanvragen tot betaling van uitzonderlijke of niet in het uitvoeringsbesluit en zijn tariefbijlage vermelde kosten (zie § 2 in fine van artikel 3).

Het derde lid, 1° is een algemene categorie, die steeds een rol moet spelen. Het 2° betreft deskundigenonderzoeken die een advies aan de rechter moeten opleveren. Het 3° is zeldzamer en slaat op het leesbaar maken van een strafrechtelijk dossier van te grote dimensies om als zodanig te kunnen gebruiken.

Het 4° betreft het vertalen en tolken, zowel voor de rechter zelf als voor het openbaar ministerie, de vervolgde personen en hun raadslieden, al dan niet in een situatie waar iemand geniet van rechtsbijstand. In dit verband moet worden vermeld dat er een noodzakelijke toevoeging is gebeurd van de bijstand van vertalers: naast het recht op een tolk om zijn proces te kunnen volgen, vastgelegd in het Ger. W., heeft diegene die tweedelijnsrechtsbijstand geniet ook recht op een vertaling van de documenten die hij moet kunnen begrijpen om een eerlijk proces te krijgen. Dat recht is al erkend door de rechtspraak van de Europese Unie en is dus niet nieuw.

Het 5° slaat op medische onderzoeken, met inbegrip van die, waarop de ondervraagde personen recht hebben in het kader van de zgn. Salduz-verhoren.

Het 6° gaat vooral over criminalistische laboratoriumonderzoeken naar sporen.

Het 7° betreft de deskundigen-onderzoeken naar typische witteboordencriminaliteit.

Het 8° heeft het dan weer over het inroepen van hulp van een technicus, bijvoorbeeld een slotenmaker om een deur of kluis te openen.

Het 9° is vrij recent aan de lijst toegevoegd en betreft onrechtstreekse gerechtskosten, gemaakt ten behoeve van het slachtoffer of van een familielid, dat wordt geconfronteerd met pijnlijke of storende gevolgen van een misdrijf (zoals bijvoorbeeld een te reinigen plaats besmeurd met bloed).

Het 10° bestond al, maar is nu aangevuld met de door de Koning nader te omschrijven voorwaarden die uit de praktijk werden afgeleid met als doel misbruik te voorkomen. Concreet gaat het bijvoorbeeld over het principe dat de vergoeding van de schade veroorzaakt door de politie niet zodanig mag worden begroot, dat ze zou leiden tot een verrijking van de benadeelde. Voor alle duidelijkheid dient te worden gezegd dat het hier niet alleen gaat om schade ontstaan door het gebruik van geweld bij huiszoekingen in woningen die worden verhuurd aan personen die worden verdacht van misdrijven. Het kan ook bijvoorbeeld gaan om schade aan geparkeerde voertuigen tijdens de achtervolging van een voertuig.

Het 11° is vrij recent toegevoegd en heeft betrekking op het weghalen van alle resten van een misdrijf om de plaats in haar oorspronkelijke staat te herstellen, en men denke hierbij aan eerder grootschalige opruimacties, zoals van drugsplantages.

Het 12° is de sleutel tot de uitbreiding van de lijst met een nieuwe mogelijkheid, die nog niet bestond of te voorzien was bij de opstelling van de lijst, en dat noodzakelijk blijkt om een zaak tot een goed einde te brengen. Het moet gaan om een nieuwe methode, techniek, een nieuw hulpmiddel of een ander element in de geest van de vorige nummers op de lijst.

Het opent de deur naar de nieuwste technieken die hun nut hebben aangetoond in het kader van bijzondere technieken.

In paragraaf 2 staat het deel van de opsomming, dat de later toegevoegde kosten omvat, die niet van nature gerechtskosten zijn, maar ermee zijn gelijkgesteld.

Ons rechtssysteem kende vroeger ook reeds de gelijkstelling van bepaalde andere kosten met gerechtskosten, ook al beantwoordden ze niet aan de definitie ervan. Dit zijn kosten van zeer uiteenlopende aard, zoals bijvoorbeeld de vergoeding aan advocaten die door de rechter worden aangewezen als curator van geesteszieken die niet beschikken over voldoende middelen om hen zelf daarvoor te vergoeden, en vergoedingen verschuldigd aan advocaten die door de rechter worden aangesteld om een vennootschap te vereffenen, die evenmin beschikt over voldoende activa om die vergoeding te betalen.

Artikel 4 bevat de nodige bepalingen met betrekking tot de organisatie van het hele proces van het maken van gerechtskosten in strafzaken, het vragen om de vergoeding ervan, de behandeling van die aanvragen, de betaling en de administratieve verificatie van de juistheid van de gegevens en de terechtheid van de betaling. Hier speelt standaardisering een belangrijke rol.

Paragraaf 1 betreft de rol en taak van het centraal bureau gerechtskosten, die de opvolger wordt van de huidige dienst gerechtskosten bij het Directoraatgeneraal Rechterlijke Organisatie bij de FOD Justitie. Hij zal geen kostenstaten meer verifiëren en in betaling zetten, behoudens deze van de telecomdiensten waarvoor de verificatie gebeurt door het NTSU. Hij steunt de arrondissementele bureaus, begeleidt hen en analyseert desgevraagd hun beslissingen .

Paragraaf 2 doet hetzelfde voor de nieuwe arrondissementele bureaus, die in de plaats komen van de vele soms kleine diensten binnen de griffies en parketten overal in het land. Hun territoriale bevoegdheid wordt beschreven, met inbegrip van een belangrijke nieuwe uitzondering voor de tolken, met het oog op het indienen éen kostenstaat per maand, wat hen toelaat éen gesprekspartner te hebben voor hun kostenstaten.

De paragrafen 3 en 4 verdelen de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de taxatie- en vereffeningsbureaus. De nadruk ligt op de voortgang van het betaalproces en op de scheiding tussen de aspecten van verificatie en betaling van de kostenstaten. Zie ook artikel 8.

Paragraaf 5 delegeert aan de Koning de bevoegdheid nader uit te werken hoe deze nieuwe structuren zullen functioneren. Het is onnodig de Koning delegatie te geven voor de bepalingen die zullen regelen welk personeel zal worden aangewezen om deze bureaus te bemannen, vermits dit volgens de Grondwet van rechtswege een bevoegdheid is die behoort tot de Uitvoerende Macht.

Artikel 5 handelt over de manier waarop beroep kan worden gedaan op een prestatieverlener, met name over de vordering die moet worden opgesteld volgens regels bepaald door de Koning.

Het bepaalt eveneens hoe er kan worden opgetreden tegen de te late of slechte uitvoering van de opdracht of bij facturering boven het tarief. De bestaande bepaling over te laat of niet naar wens uitgevoerde taken en de sanctie erop, die bestaat uit de mogelijkheid de ingediende kostenstaat te verminderen, is hernomen. Deze uitdrukkelijke bepaling is noodzakelijk om in de bestuursrechtelijke zin behoorlijke wetgeving te maken.

Verder wordt het digitaal bezorgen van de vordering de norm en wordt niet alleen mogelijk, maar verplicht tenzij er objectieve redenen zijn waarom dit onmogelijk is.

Artikel 6 gaat over de opstelling van de kostenstaat, die eventueel kan worden verbeterd, verworpen of beperkt wanneer het taxatiebureau vaststelt dat er onregelmatigheden zijn gebeurd bij het bepalen van de vergoeding of de uitvoering van de opdracht bijvoorbeeld.

Het bepaalt ook hoe de ontevreden prestatieverlener een nieuwe evaluatie kan vragen van zijn kostenstaat, in een specifieke beroepsprocedure die alleen betrekking heeft op de reeds vroeger vaakst voorkomende betwistingen, met name die over de vergoeding die zal worden betaald aan de prestatieverlener. Het beroep zal evenwel onmiddellijk worden verworpen als blijkt dat er in verband met dezelfde kwestie en dezelfde persoon al een uitspraak is geweest.

Er wordt erkend dat het volstaat dat de ontevreden burger een beroep kan instellen bij de rechter in geval hij de schending van de wet of van vormvereisten aanvoert. Dit is het gewoon administratief beroep bij de Raad van State. Bijgevolg is het onnodig de vroegere beroepsprocedure te vervangen door een volwaardig alternatief en kan een eenvoudiger systeem, dat beoogt de vergoeding zo goed mogelijk te begroten, hier volstaan.

Wanneer de gerechtelijk expert, prestatieverlener of vertaler / tolk niet akkoord gaat met de opmerkingen van het taxatiebureau, kan deze zich richten tot de directeur-generaal van het DGRO bij de Federale Overheidsdienst Justitie.

Dit brengt met zich mee dat de bestreden beslissing van het taxatiebureau geschorst wordt in haar uitvoering, maar tegelijk zal het gedeelte van de vergoeding dat niet wordt betwist tijdens deze beroepsprocedure, toch worden betaald aan de prestatieverlener.

Na de betrokkenen mondeling of schriftelijk te hebben gehoord, zal deze laatste beslissen en daarvoor zijn bestuursrechtelijk afdoende motivering bekendmaken. De directeur-generaal kan zijn oordeel in de plaats van dat van het taxatiebureau zetten, weigeren, of voorwaarden tot betaling opleggen. Tegen zijn beslissing, die van bestuursrechtelijke aard is, staat alleen het vernietigingsberoep bij de Raad van State open. Ten slotte voorziet het ontwerp ook dat de vele te verwachten beroepen gezuiverd worden van feitelijk nutteloze beroepen ingediend, zoals vroeger ook al een al te vaak voorkomende praktijk was, door prestatieverleners die zich niet wensen neer te leggen bij een uitspraak in een eerder beroep of bij de toepassing van de wet. Dit veroorzaakt veel tijdverlies voor de administratie en het heeft geen enkel voordeel voor de indiener ervan. Dergelijke beroepen zullen onmiddellijk worden afgewezen met de vaststelling dat er in verband met dezelfde kwestie en de zelfde persoon al een uitspraak is geweest. Dit bezorgt de uitspraken een gezag van gewijsde, dat ontbreekt bij uitspraken van andere bestuurlijke overheden en hen in een zwakke positie laat tegenover misbruik.

Artikel 7 gaat over de concrete procedure van verificatie en betaling van de gerechtskosten, nader uit te werken door de Koning. Het principe van de terugvordering van de gerechtskosten bevindt er zich ook.

De zoveel mogelijk digitaal verlopende procedure is de standaardprocedure. Er dient evenwel te worden voorzien in een alternatieve, niet of minder digitale procedure voor de gevallen waar de digitale procedure niet beschikbaar is of niet kan worden gevolgd omwille van technische problemen.

Ook voor de betaling van een specifiek type van gerechtskosten waarvoor de gewone procedure niet geschikt is, met name de “in bulk” gefactureerde kosten voor telefoontaps, die worden betaald aan de telefoonoperatoren, wordt er voorzien in een aparte procedure. Beiden zullen nader worden omschreven door de Koning.

De uitzondering voor de tolken kan gefaseerd worden uitgebreid naar andere beroepsgroepen.

In dit verband mag echter niet uit het oog worden verloren dat luidens de rechtspraak van het Europees Mensenrechtenhof bepaalde ten voordele van de verdachte toegekende voordelen nooit terugvorderbaar zijn omdat ze behoren tot de mensenrechten.

Artikel 8

Deze bepaling onderwerpt de regels over de gerechtskosten uitdrukkelijk aan die van de overheidscomptabiliteit, die zijn vervat in hun eigen specifieke regelgeving. Hiermee worden de gerechtelijke overheden ondubbelzinnig onderworpen aan de tot het bestuursrecht behorende procedures inzake gerechtskosten.

De leidende principes van deze boekhoudkundige regelgeving worden toegepast op de rolverdeling tussen de bevoegde diensten. In die zin is deze bepaling een andere omschrijving van het proces in artikel 4, met dezelfde waarde en als aanvulling daarop. Tevens wordt de oprichting van de nieuwe lokale bureaus voor gerechtskosten in de wet bevestigd. Tot slot wordt het gezag over de vereffeningsbureaus uitdrukkelijk gelegd bij een gespecialiseerd ambtenaar, ondergeschikt aan de directeur van de Stafdienst Begroting en Beheerscontrole van de federale Overheidsdienst Justitie.

Artikel 9 

De indexering van de tarieven van de gerechtskosten en verplaatsingsvergoedingen gebeurt volgens modaliteiten bepaald door de Koning.

Het gaat hier over de verplaatsingsvergoeding die wordt toegekend aan elke prestatieverlener die, gedurende de uitvoering van zijn opdracht, zich moet verplaatsen tussen zijn woonst of kantoor en de plaatsen die hij moet bezoeken om zijn opdracht goed te kunnen uitvoeren, de plaatsen waar hij zijn opdracht zelf, of een aspect ervan moet uitvoeren. Het moet dus gaan om een noodzakelijke verplaatsing, maar ze hoeft niet uitdrukkelijk in de omschrijving van de opdracht te staan. Het is een compensatie voor de kosten die de betrokkene maakt voor de uitvoering van zijn opdrachten.

Artikel 10 vervangt de strafbepaling uit de programmawet van 2006. In plaats van een echte straf, komt er nu een administratieve sanctie die kan worden opgelegd, en dit gebeurt niet langer door een strafrechter, maar door de minister. Deze sanctie kan worden aangepast aan de ernst van de inbreuk en kan variëren van een voorwaardelijke en tijdelijke schorsing in het nationaal register van gerechtsdeskundigen of vertalers/tolken als prestatieverlener tot een definitieve schrapping. De magistraat die vruchteloos beroep doet op de betrokken prestatieverlener, zal dit aan de minister laten weten via zijn griffier en de minister zal na het nodige onderzoek naar de passende strafmaat, de administratieve sanctie opleggen. Gaat het ten slotte over een prestatieverlener die niet in een nationaal register is opgenomen, dan wordt hij door de procureur des Konings geschrapt uit de plaatselijke lijst van deze medewerkers. [PM: voorlopig geldt voor de vertalers en tolken nog een andere regeling, die echter ook zal worden gewijzigd]

Artikel 11

Dit artikel bevat de noodzakelijke habilitatie die de Koning in staat stelt tarieven vast te leggen voor de diverse gerechtskosten.

Het voorlaatste lid van artikel 12 herneemt de bepaling uit de programmawet (II) van 27 december 2006, die stipuleert dat de uitvoeringsbesluiten die zullen worden genomen met betrekking tot de tarieven binnen 24 maanden moeten worden bekrachtigd door de wet. Dit is de compensatie voor de gewenste soepelheid die afwijkt van de grondwettelijke regel dat het in principe de wetgever toekomt inkomsten en uitgaven van de Staat vast te leggen.

Artikel 12  past een bepaling van het Gerechtelijk Wetboek over deskundigen, die zowel van toepassing is op de aanstelling van deskundigen in burgerlijke, in handels- en in strafzaken, aan aan de nieuwe regels inzake strafzaken waarmee ze strijdig zouden zijn.

Dit houdt in dat er een uitzondering moet worden gemaakt op de oude regel dat het een magistraat is, die taxeert. Dit is te verantwoorden door het grote verschil tussen enerzijds, de privaatrechtelijke betwistingen waar men vrijwillig beroep doet op de rechter, en de strafrechtelijke, waar de maatschappij, vertegenwoordigd door het OM, optreedt tegen wie de regels van die maatschappij niet heeft nageleefd en haar aldus bedreigt. Daarvoor worden openbare middelen ingezet.

Artikel 13 heft de oude bepalingen over gerechtskosten in de programmawet (II) van 27 december 2006 op. Die wet kan niet geheel worden opgeheven vermits ze nog andere bepalingen bevat.

Artikel 14  bepaalt dat de wet in werking treedt de eerste dag van de maand volgend op haar publicatie. Dit laat toe de wet en het in voorbereiding zijnde uitvoeringsbesluit (er is voorlopig alleen een besluit met organisatorische bepalingen noodzakelijk) pas in werking te laten treden van zodra de nodige organisatorische maatregelen zijn genomen (personeel, lokalen, ICT, praktische instructies).

 

OVERZICHT VAN HET PROCES

Voor een duidelijker beeld van het verloop van het hele proces van het genereren en betalen van gerechtskosten, volgt hierna een schematische voorstelling van de verschillende stappen.

Het proces van het genereren, betalen en terugvorderen van de gerechtskosten in strafzaken verloopt als volgt:

1° de opdrachtgever die beroep wil doen op een prestatieverlener, stelt een vordering op en bezorgt ze hem waar mogelijk digitaal. Daarin omschrijft hij op nauwkeurige wijze zijn opdracht, legt de draagwijdte ervan vast en bepaalt de termijn waarbinnen zij moet worden voltooid. Hij doet dit op de wijze zoals bepaald door de Koning; 

2° de prestatieverlener legt zijn prestatie of product voor aan de opdrachtgever ter goedkeuring. De opdrachtgever spreekt zich hieromtrent uit binnen 10 dagen;

3° na goedkeuring van de prestatie dient de prestatieverlener zijn kostenstaat in bij het bevoegde arrondissementeel taxatiebureau waar hij zonder verwijl wordt geregistreerd in de boekhoudapplicatie van het taxatiebureau;

4° het taxatiebureau controleert de kostenstaat. Ingeval van goedkeuring wordt de kostenstaat binnen 12 dagen bezorgd aan het vereffeningsbureau; 

5° als de verificatie aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen, het weigeren of verminderen van de kostenstaat, of als de opdrachtgever de prestatie niet heeft bevestigd en goedgekeurd, dan geeft het taxatiebureau daarvan langs digitale weg kennis aan de prestatieverlener, met verzoek binnen een week te antwoorden, de opmerkingen te aanvaarden of te weigeren, en de eventueel voorgestelde correcties te aanvaarden of niet;

6° als de prestatieverlener heeft geantwoord binnen de termijn en heeft voldaan aan de vraag van, of ingestemd met de voorwaarden van het taxatiebureau, of hij zich akkoord verklaart met het door dat bureau gedane voorstel, dan keurt het de indien nodig verbeterde kostenstaat goed, taxeert hem en bezorgt hem aan het vereffeningsbureau;

7° in het andere geval bezorgt het taxatiebureau zijn beslissing aan de prestatieverlener. Als die niet akkoord gaat, kan hij binnen 30 dagen een nieuwe beoordeling van zijn kostenstaat vragen, voor zover die zich beperkt tot het bedrag waarop hij recht meent te hebben. Dit verzoek wordt gericht aan de directeur-generaal van het Directoraat Generaal Rechterlijke Organisatie bij de Federale Overheidsdienst Justitie of zijn gedelegeerde, die handelt zoals de Koning voorschrijft;

8° de kostenstaat die aankomt bij het vereffeningsbureau wordt er onderworpen aan een laatste controle met het oog op het voorkomen van vergissingen en wordt, als er geen bezwaar is, in betaling gesteld binnen 8 dagen na ontvangst;

9° van elke stap worden de gegevens bijgehouden in de boekhoudapplicatie, ter beschikking van de betrokken griffie of secretariaat, het Rekenhof en van de minister;

10° de gemaakte gerechtskosten worden teruggevorderd van de in de betrokken strafzaak veroordeelde, schuldig bevonden of burgerlijk verantwoordelijk gestelde partijen, door toedoen van de bevoegde diensten van de minister van Financiën en in de mate door de Koning bepaald.

De Koning werkt deze procedure nader uit en Hij voorziet eveneens in een alternatieve procedure voor het geval de digitale verwerking niet mogelijk of niet beschikbaar is, en een bijzondere procedure voor de verwerking van de kostenstaten afkomstig van de telecomoperatoren.

 

De minister van Justitie,

Koen GEENS

 

De minister van Financiën,

Alexander DE CROO

Gepubliceerd op
Social media

BBVT B.V.

Beroepsvereniging Beëdigd Vertalers en Tolken
Schaapdries 16 – 2547 Lint
contact@bbvt.be
+32 (0)468 283 823

 

BE09 9731 3059 3457
Ondernemingsnummer: 597.625.413

Gebruiksvoorwaarden & Privacy
Copyright 2019 BBVT
Design by Lake-IT